Leertheorie in het kort

hersenenAl doende leert men. Dit principe is ook van toepassing op paarden. Een paard leert door trial and error. Wat werkt en hem iets oplevert, zal hij blijven doen. Gedrag dat niets oplevert of iets onaangenaams geeft, zal hij staken. Een paard denkt niet in termen van goed of fout, hij denkt: wat werkt en wat werkt niet. Hij handelt naar wat voor hém logisch is.

Er zijn verschillende leervormen en het is niet juist om ze allemaal als aparte hokjes te gaan bekijken. Ze lopen namelijk voortdurend door elkaar. Het is wel belangrijk om een idee te hebben van welke vormen er zijn, daarom kort op een rij, alfabetisch gerangschikt.


 

Cognitief leren gaat over wat er binnen in het paardenbrein gebeurd. Het gaat over het opslaan, onthouden en omzetten van informatie.

Habituatie of desensibilisering gebeurd wanneer een paard veelvuldig aan een prikkel wordt blootgesteld, zonder dat hij daar invloed op heeft. Het paard went aan bepaalde zaken en zal er steeds minder op reageren. Dit kan geleidelijk gebeuren, stapje voor stapje of je kan je paard overladen met prikkels. Dit heet floodingDeshabituatie of sensibilisering is het omgekeerde proces, het paard wordt dan juist gevoeliger voor een bepaalde prikkel. Wanneer een paard niet meer reageert op soortgelijke prikkels, spreken we van generalisatie.

Imprenting is een soort van snelle, wederzijdse kennismaking tussen moeder en veulen. Dit proces vindt plaats vlak na de geboorte. Negatieve ervaringen moeten zeker in deze periode vermeden worden, aangezien het paard dit een leven lang meedraagt en nooit zal vergeten.

Klassieke conditionering is benoemd door Pavlov. Een neutrale, ongeconditioneerde prikkel wordt gevolgd door een ongeconditioneerde reactie, deze is reflexmatig. Als er regelmatig een tweede neutrale prikkel komt voor de ongeconditioneerde prikkel, dan gaat het paard deze reactie ook vertonen bij de nieuwe prikkel.

Observationeel leren of imitatie gaat over het nabootsen van gedrag. Het paard leert iets door een ander paard te observeren en dit gedrag na te doen. Over deze vorm van leren zijn nog geen sluitende onderzoeken gedaan of paarden hier nu wel of niet toe in staat zijn.

AfdrukkenOperante conditionering gaat over het gevolg van een bepaald gedrag. Dit kan een bekrachtiging (beloning) of straf zijn.

We spreken hierbij van negatief in de zin van iets wegnemen: iets onaangenaams wegnemen is negatieve bekrachtiging, iets aangenaams wegnemen is een negatieve straf. Positief wil zeggen dat we iets gaan toevoegen: iets aangenaams bij positieve bekrachtiging en iets onaangenaams bij een positieve straf.

Uitdoving treedt op wanneer een bepaald gedrag geen gevolg meer heeft, dus geen straf of beloning.

Sociaal leren gaat over wat paarden van elkaar leren door bij elkaar te zijn. Ze weten wie hun kuddegenoten zijn, wat hun status en gezondheid is door elkaar te zien, horen en ruiken. Het is sociale informatie. Sociale facilitatie gaat over instinctief gedrag zoals grazen en vluchten. Soms doet een paard simpelweg iets omdat een ander paard het doet.


Voorbeelden

Habituatie:

Habituatie – geleidelijk: Een paard met singeldwang; Je begint met het opleggen van het zadel, daarna doe je de singel losjes vast. Je bent ondertussen een beetje met hem bezig en singelt gaatje voor gaatje aan.

Habituatie – flooding: Een paard zadelmak maken; Je legt een zadel op het paard, gaat erop zitten en laat hem uitrazen.

Deshabituatie: Je wil aanspringen in galop, maar je paard reageert niet op je beenhulp. Je geeft hem een tik met de zweep. De volgende moet je nog maar aan galop denken en je paard is reeds vertrokken.

Generalisatie: Een paard zadelmak maken; Een driejarige heeft al verschillende keren een deken om gehad. Bij het opleggen van een dekje kijkt hij niet op of om. Ook het zadel is geen enkel probleem.

 

Klassieke conditionering:

In training staat een kopschuw paard. Telkens wanneer je je hand naar zijn hoofd uitsteekt, gooit hij angst zijn hoofd in de lucht. Hij heeft ervaren dat hierna vaak een klap volgt en wil dit graag vermijden.

 

Operante conditionering:

Negatieve bekrachtiging: Je legt je benen aan, je paard vertrekt in draf. Hierop laat je de druk van je benen wegvallen.

Positieve bekrachtiging: Je wil je paard leren voetballen. Elke keer als hij tegen de bal schopt, geef je hem een wortel.

Negatieve straf: Je bent op weg naar huis na een buitenrit en je paard begint te drammen. Je keert om, terug weg van de stal.

Positieve straf: Je paard hapt naar je wanneer je zijn voer brengt, je geeft hem een tik op zijn neus.

 

Sociaal leren:

Je laat je paard los in de piste, er ligt mest van zijn voorganger. Hij ruikt eraan.

Sociale facilitatie: De kudde slaat op hol, jouw paard volgt.